KERST- EN NIEUWJAARSGROET

Onze kerstboodschap is ontleend aan de expositie ‘Gegijzeld maar niet verslagen’ in de Beekvlietboerderij.

Hieronder de laatste episode van Thomasvaer en Gijzelaar op 31 December 1942.

Straks, in de Aula, bijeen met Goudsche pijpen en punch, hooren we de geestige en ontroerende kroniek van Thomasvaer en den plaatsvervanger van Pieternel. En als het kwart voor twaalven is, spreekt Schermerhorn ons toe. Eerst herdenken we samen, staande in volledige stilte, waarin langzaam de namen klinken onzer gevallen lotgenooten, de wonden, die op 15 Augustus en 16 October de veroveraar sloeg in het hart van ons Nederlandsche Volk. Dan voert hij ons mee naar hen, die zoo heel veel meer te verduren hebben dan wij, in gevangenissen en concentratiekampen en naar onze vrouwen thuis, die den last der eenzaamheid dragen, om te eindigen met de uitdagende vraag aan ons, gijzelaars van Michielsgestel: ,,Hoe komen we straks terug in onze Nederlandsche Volksgemeenschap, met leege handen of met een boodschap?”

Graag wensen wij jullie een mooi en ‘vredig’ Kerstfeest – trapsgewijs – samen met allen die jullie zo dierbaar zijn.

Een Kerst- en Nieuwjaarsboodschap uitgesproken in 1942 voor alle gijzelaars die in Sint-Michielsgestel gevangen zaten.

In afwachting van hun bevrijding.

Zoals wij wachten op onze bevrijding van het Corona-virus:

Thomasvaer:

Een zegen voor u allen moet hier zijn geweest  De ingetogen viering van het heilig Christusfeest,

Toen gij in eendracht,  schoon  van  huis  en haard.gescheiden, U toch, door Christus’ komst, uw harten liet verblijden.

Gijzelaar:

Geen ijd’le  kermisvreugd,  maar  ware Kerstmissfeer, Vervulde  ons  hier  in  ’t kamp -als thuis – misschien nog meer

Geen aardsche macht kon ons den vrede ontrooven, Die van den hemel daalt voor hen, die ’t heil gelooven.

Thomasvaer:

Wij leefden met u mee, als in die sombere dagen, Toen in dit kamp de dood zijn offers wreed kwam vragen.

Tot twee maal toe zijn broeders uit uw  kring  aan  u  ontvallen, Die met hun leven tol betaalden voor ons allen.

Nooit was een volk zóó één; toen zij hun strijd volstreden; Het heeft met hen en u verbonden, meegeleden.

Gijzelaar:

Hun dood is als een zaad, houdt voor de toekomst waarde, Wanneer de zon der vrijheid weer zal opgaan over d’aarde.

Zoo zij het en ik kwam, om  u  hier  toe  te  wenschen,  Dat gij in ’t nieuwe jaar, als nieuwe en vrije menschen, 

Gerijpt door lief en leed, eendràchtig hier beleefd, Uw rijkste krachten aan ons volk ten beste geeft.                                                                

Die eendracht blijve sterk, die hier u hield verbonden, Ontstaan in bitter leed, en daardoor hecht bevonden. 

God geve u en het  volk,  om  voortaan  hand  in  hand, Te werken voor het heil van ‘t nieuwe (normaal)Nederland!